12,5 jaar journalist: dit zijn de fouten waar ik van leerde

Lezing CSFR – Utrecht

Januari 2013

 Maakbaarheid van de Media – illusie of realiteit?

 Amicae amicique,

Ik zag hem vanmiddag zitten in de trein. Ik was onderweg naar Amsterdam voor werk en hij kwam me al bekend voor. In eens schoot het me te binnen. Linksvoor me zat een bekend kamerlid van een christelijk politieke partij. Een partij waar waarden en normen hoog in het vaandel staan en het gezin een hoeksteen van de samenleving is. We stapten samen uit op Centraal en liepen de stad in. Allebei richting de Wallen. Ik moest daar zijn voor een reclamebureau dat daar gevestigd is. En hij was onderweg naar… ja waar naar eigenlijk?

 Illusie of realiteit?

De maakbaarheid van de media – dat is het onderwerp van deze lezing. Onder de titel “geloof nooit een journalist, denk zelf” wil ik proberen de volgende mediafilosofische vragen te beantwoorden die me gesteld zijn:

* Kan ik als journalist iemands denkwijze beïnvloeden?

* Hoever mag ik als journalist ethisch gezien gaan in mijn berichtgeving?

* Hoe maak ik als journalist een keuze in mijn onderwerpen / hoe kom ik tot die keuze?

* Mag ik als journalist mijn mening geven?

* Ben ik als journalist in staat tot zelfkritiek?

Ik heb de eerdere lezingen nagelezen die u hier over uw jaarthema “Maakbaarheid” heeft georganiseerd en ik zal u meteen vertellen dat dit een ander soort lezing wordt. Journalistiek is namelijk geen wetenschap. Het is amper een beroep te noemen. Het is, zoals dat tegenwoordig zo mooi heet, een levensstijl. Niet iedereen kan arts worden. Of advocaat. Of hoogleraar; iedereen kan journalist worden. Je hoeft maar over drie eigenschappen te beschikken: nieuwsgierigheid, nieuwsgierigheid en nieuwsgierigheid. Journalistiek is eigenlijk vooral een (ouderwets) ambacht dat je gaandeweg onder de knie krijgt. Ik doe het nu 12,5 jaar en ik begin een idee te krijgen van wat het ongeveer is.

Vlak voordat ik de Wallen opliep zag ik dat het bekende kamerlid een zonnebril op deed. Leek me een tikkeltje overdreven gezien de grijze sneeuwwolken. Terwijl ik half op mijn Iphone turend de weg zocht, leek hij de weg goed te kennen. Ik klikte Google Maps uit en zocht in Safari naar zijn woonplaats. Hij woonde hier zeker 110 kilometer vandaan en had een appartement in Den Haag. Hij ging dus niet naar zijn huis. Maar wat ging hij hier nu wel doen dan? Nog twee steegjes en ik moest naar rechts. Wat zou ik doen? Hem volgen of naar mijn afspraak gaan?

Om toch enig wetenschappelijk karakter aan deze lezing te geven wil ik u enkele cijfers voorhouden om de impact van journalistieke programma’s scherp te krijgen. Ik ben benieuwd of u weet:

* hoeveel mensen er kijken naar het journaal?

Tussen de 1,8 en 2 miljoen kijkers? Veel? – hoeveel miljoen mensen keken niet?

* hoeveel mensen er vandaag een krant hebben gelezen?

7 miljoen mensen lazen vandaag gemiddeld een kwartier de krant

* welke leeftijdsgroep het meest vertegenwoordigd is onder de journaal-kijkers?

65+

De echte “couch-potato” onder televisiekijkend Nederland is een blanke, getrouwde vrouw van 65+, met een Havo- niveau, gemiddeld 2,8 kinderen, een poes en opvallend vaak in het bezit van een caravan. U komt als hoogopgeleide vrijwel niet voor in de statistieken van bijvoorbeeld het journaal en nieuwsrubrieken. U kijkt volgens die statistieken vooral naar DWDD, RTL Boulevard, The Voice, Expeditie Robinson en… Boer zoekt vrouw. U kunt dit allemaal nazoeken op SKO.nl

Als het waar zou zijn dat nieuwsrubrieken invloed hebben op het denken van de kijker dan zou daar logischerwijs uit volgen dat ze minimaal massaal bekeken moeten worden. In de top-10 van best bekeken programma’s in 2012 komt er 1 actualiteitenrubriek voor: het journaal van 27 oktober. Wat zijn de andere programma’s die het goed hebben gedaan denkt u?

– Boer zoekt vrouw staat op 1 met 4,2 miljoen, de rest is vooral de Voice of Holland –

Om u in een indruk te geven van het bereik van actualiteitenprogramma’s, of programma’s die raken aan de actualiteit nog enkele cijfers:

Journaal: gemiddeld 1,8 miljoen kijkers

1 Vandaag: gemiddeld 1 miljoen kijkers

Pauw en Witteman – K&vdB: gemiddeld 1 miljoen kijkers

Nieuwsuur: gemiddeld 750.000 – 800.000 kijkers

Programma’s als De 5e dag, Brandpunt, Altijd Wat, Moraalridders: tussen de 400 & 500

Buitenhof, Zembla, Tegenlicht: 250.000 – 300.000 kijkers.

Hebben zij macht? Kunnen zij het nieuws maken door veel aandacht te besteden aan een bepaald onderwerp…..of breken door het onderwerp te negeren? Kunnen zij door een keuze voor een bepaald onderwerp de mening beïnvloeden van de kijker? Ik twijfel daaraan met grote twijfel. Het is allereerst buitengewoon lastig om vast te stellen of een nieuwsprogramma uw denken wezenlijk heeft veranderd. In het beste geval vertellen we u iets nieuws waarover u vanaf dat moment in algemeenheden op de sociëteit over mee kunt praten. Of het uw denken, of het uw opvatting over een bepaald onderwerp heeft beïnvloed is lastig te vast te stellen bij een gebrek aan een nulmeting. Kwantitatief kun je vaststellen dat een onderwerp alle media haalt maar of er daardoor kwalitatief ook een resultaat bereikt wordt is maar zeer de vraag. Want wat zou dat resultaat dan moeten zijn? Een genuanceerd standpunt over pesten, de bultrug, Badr Hari, Syrië, dalende huizenprijzen, Hero Brinkman, de Hedwigepolder, DSK, de terugkeer van de gulden, Tofik Dibi? Ik heb hierover bericht en u hierover de feiten aangereikt maar of ik uw denken hierover heb beïnvloed of kwalitatief verrijkt heb: het lijkt me sterk. Op z’n best heb ik u een denkduwtje gegeven om over deze onderwerpen een mening te vormen. Mocht ik dat gedaan hebben dan ben ik niet ontevreden.

Het is ook maar de vraag of de media nieuwsvolgend cq nieuwsmakend zijn of dat ze nieuws (ver)maken. Ik ben voorstander van het eerste. Ik vind dat een journalist vooral nieuwsfeiten en achtergronden onder uw aandacht moet brengen. Het Journaal is wat mij betreft enkel een samenballing van nieuwsfeiten. Een journalist die werkt voor een geprofileerde rubriek als EO’s 5e dag of KRO’s Brandpunt mag aan die nieuwsfeiten een kleuring geven. Hij mag wat mij betreft proberen uw denken te beïnvloeden – u kent namelijk zijn achtergrond omdat linksboven in beeld de afzender van de boodschap staat. Even uitleggen.

Als u onder maakbaarheid van de media verstaat dat we door de keuze van een bepaald onderwerp nieuws maken dan kan ik dat niet ontkennen. Er zijn 4 stoelen bij KvdB die ik mag vullen terwijl er voor wel 25 onderwerpen een stoel te rechtvaardigen zou zijn. Mijn keuze als eindredacteur voor een bepaald onderwerp licht dat onderwerp weliswaar uit boven andere onderwerpen maar tegelijkertijd doen we dat op een “eigen” manier. Aan nieuws van de dag kleeft “hype” en “framing” en als het even kan dan probeer ik een eigen invalshoek te vinden bij het nieuws. Aangezien de publieke omroep pluriform is mag je verwachten dat iedere omroep met zijn eigen nieuwsrubriek kleur geeft aan het nieuws. Daardoor ontstaat er een veelkleurig, zo u wilt een pluriform, nieuwsbeeld. Ik wil daarbij als eindredacteur van nieuwsprogramma’s van de EO u liever denkduwtjes geven dan u mijn mening opdringen – ik acht u daar ook te slim voor en mijn geloofwaardigheid als journalist is mij te dierbaar.

Echter, ….voor het Journaal zie ik dat anders. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik naar het Journaal kijk dan wil ik niet lastig gevallen worden met meningen of denkduwtjes  maar met feiten en achtergronden. Het journaal kan ongeveer 10 items bevatten. Dat is een mix van binnenlandse en buitenlandse items en vaak nog een pret-item aan het eind. De eindredacteur die het journaal samenstelt doet dat op criteria van relevantie en urgentie. Hij zal u een ontroerend verhaal kunnen vertellen over de achtergrond van zijn keuzes, maar ze zijn stuk voor stuk aanvechtbaar. Net als mijn keuzes voor KvdB! Een vliegtuigramp is makkelijker uit te leggen dan de scheiding van de Van der Vaartjes als opening van het journaal.

Het is overigens te simpel om te zeggen dat onderwerpen die het Journaal niet halen, geen nieuwswaarde zouden hebben. Maar het is een mix – onderwerpen worden tegen elkaar afgewogen. Daarbij moet u overigens simpele pech als een gast die in de file staat  – en de uitzending en dus het nieuws niet haalt – niet uitvlakken. Of een digitaal bestand, waar een relevante opname uit Syrië op staat, die crasht in de computer. Journalistiek is 95% mensenwerk; kan gedaan worden door iedereen en iedereen kan er een oordeel over hebben. De journalistiek bewijst iedere dag dat de waarheid niet bestaat.

Ik vind dus dat het Journaal nieuwsfeiten moet brengen. Dat gaat soms fout. Behoorlijk fout zelfs. Het beste voorbeeld daarvan in 2012 is de rel over de inkomensafhankelijke zorgpremie. Lang verhaal kort verteld: na het regeerakkoord tussen PvdA en VVD maakt het journaal een item over de inkomensafhankelijke zorgpremie. Je ziet Dominique vd Heijde in beeld staan met achter haar allerlei staafdiagrammen in beeld. Ze vertelt per inkomensgroep wat mensen meer moeten gaan betalen voor hun zorgpremie. Dat loopt gestaag op maar bij de inkomensgroep 70.000 en meer zie je in de staafdiagram een forse stijging en hoor je de toon van Dominique navenant omhoog gaan. Vanaf dat moment gaat het wat mij betreft fout. Tot dat moment waren het cijfers en berekeningen, nu zegt Dominique ineens: dat het “bij de inkomensgroep 70.000 mis gaat en dat het raadselachtig is dat de VVD daarmee akkoord gegaan is.” Dat is meer dan de feiten geven – dat is een mening, dat is duiding. Na de NOS volgden RTL Nieuws en de Telegraaf deze alarmerende toon. Partijbaronnen van de VVD werden wakker, kwamen in opstand en binnen no-time moest Rutte excuus maken en ging het plan van tafel. Journalistiek werk om trots op te zijn – optimaal voorbeeld van maakbaarheid en invloed?

Trots – nee: het journaal moet wat mij betreft feiten brengen. De inkleuring van die feiten kunnen in de achtergrondrubrieken als Brandpunt & de 5e dag worden gedaan. Dan weet ik wie de afzender is en met welke politieke kleur ik rekening moet houden. Ik had tegen al die VVD partijbaronnen willen zeggen: “geloof nooit een journalist, denk zelf” – de gehanteerde cijfers waren een inschatting en bleken niet 100% waterdicht te zijn (Bessems/ Vonk / december 2012).

U stelde ook de vraag of een journalist in staat is tot zelfkritiek. Collega-journalisten hebben het Journaal bekritiseerd op de wijze waarop ze dit verhaal gebracht hebben. Dat werd ze niet in dank afgenomen. De jij bak is al snel: “ga lekker zelf nieuws zoeken – in plaats van te mieren over dat van mij”. Voor het zelfreinigend vermogen van de journalistiek zijn we kennelijk afhankelijk van u. De nieuwskijker en lezer. De opstand die bij u als lezer ontstond nadat de NRC bericht had over Prins Friso gaf mij een goed gevoel over uw oordeelsvermogen over wat openbaar mag worden en wat privé moet blijven. Blijft u dus vooral scherp en spreek ons aan!

Over openbaar en privé gesproken.

Voor ik het wist liep ik vanmiddag het adres voorbij waar ik moest zijn en bleef ik achter het kamerlid aanlopen. Ik liet wel zo veel ruimte tussen hem en mij om te voorkomen dat hij mij zou zien als hij zou omkijken. Niet dat hij mij zou herkennen maar ik liep al meer dan 10 minuten achter hem aan. Iets zei me dat ik ‘m moest volgen. Ineens sloeg hij een steegje in, knikte naar een schaars geklede dame. Ik had mijn Iphone nog steeds in mijn hand. Voor ik het wist klikte ik de foto-app aan. Je wist maar nooit. Het kamerlid greep de deurknop beet, draaide zich daar half bij om en met dat hij me aankeek maakte ik een foto. Door de zoeker van de Iphone zag ik dat hij onverstoorbaar naar binnen stapte, de deur achter zich dicht trok en de vrouw haar rolgordijn liet zakken. Ik zag in de Iphotobibliotheek dat de foto van het kamerlid haarscherp was.

Die foto is keiharde realiteit en ik kan er als journalist iets van maken. Ik heb daar geen enkele illusie over.

* Twitteren? Minstens 100 retweets en enkele volgers erbij.

* Op Facebook – o, nee die heb ik gelukkig niet.

* Item over draaien voor de 5e dag? Vast lekken naar journaal en dan mooi kijkcijfer?

* Uitnodigen voor KvdB en de foto ineens in beeld brengen – altijd mooi effect!

* Opbellen en hem waarschuwen dat zijn gedrag nogal in kijker loopt en dat ik dat als medechristen geen goede reclame vind? Niet-meer-doen boodschap?

Wat zou een journalist hiermee doen?

Waarom ben ik eigenlijk journalist geworden? Wat is eigenlijk mijn diepste drijfveer als journalist? Wil ik beïnvloeden? Heb ik het idee dat ik de juiste antwoorden heb? Wil ik u mijn mening opdringen? Wil ik machtsdragers ontmaskeren? Wil ik u aan het denken zetten? Wil ik iets nalaten? Zou ik iets anders kunnen? Zou ik mijn tijd eigenlijk niet beter kunnen besteden? Waarom werk ik zo hard als ik evenzogoed het relatieve van journalistiek en televisiewerk inzie – het is tenslotte maar bewegende lucht!

Ik denk dat Steve Jobs gelijk had toen hij zei dat je alleen achter omkijkend de verbindende elementen van je beslissingen ziet; de logica van het spoor dat je getrokken hebt. Hoe meer je in staat bent om te leren van fouten in het verleden hoe verder je vooruit komt in het heden en de toekomst. Ik vind dit persoonlijk ook de meest New Age-Hapinezzzzzz achtige zin in mijn verhaal. Hmm. Journalistiek is uiterst persoonlijk en wellicht kan ik uw vraag over de maakbaarheid van de media ook beantwoorden door u te vertellen welke lessen ik tot nu toe in mijn carrière geleerd heb. Misschien leert u van mijn fouten, misschien inspireer ik u die net zo hard te maken als ik zelf heb gedaan – ze blijken vaak leerzaam.

Toen ik na de afronding van mijn studie in Leiden ging werken als journalist voor EO radio-1 was dat niet perse een droom die uitkwam. Ik merkte al snel dat mijn universitaire nuance niet leidde tot de gewenste scherpe items, er op redacties een stevige militaire hiërarchie heerste en vooral dat al die journalisten niet alleen een mening hadden over van alles maar ook nog zeker wisten dat ze het bij het rechte eind hadden. Geen spoor van twijfel. Alle onderwerpskeuzes vond ik aanvechtbaar en de inwisselbaarheid van de thema’s verwarrend. Zo doken we 4 weken lang met huid en haar in de Mkz-crisis en zo lieten we het weer los. Debatten onder de deskundige leiding van Tijs van den Brink leidde enkel tot het uitwisselen van standpunten. Ik maakte nooit mee dat een gast dat zei waarop ik hoopte: “nou meneer X, daar heeft u een goed argument, daar moet ik eens over nadenken”. Uit nieuwsgierigheid en recalcitrantie maakte ik een item van 10 minuten over de existentiële waarde van Ernie en Bert. Ik regelde Andre van Duin, Thom de Graaff en ds. Gremdaat om mee te werken en hun diepere gevoelens over Bert en Ernie uit te spreken. Het werd niet gewaardeerd. “Hoe kun je daar nou een onderwerp van maken”? Het speelt niet in de actualiteit en wat kan het mij schelen wat Andre van Duin vindt van Ernie en Bert”. Ik viel van mijn stoel van verbazing over zo’n gebrek aan nieuwsgierigheid en nam me tegelijkertijd voor dat ik net zo lang bij de EO zou blijven tot ik kon bepalen wat de onderwerpen zouden zijn. Dat mijn programma’s een vertrekpunt zouden nemen vanuit verwondering en nieuwsgierigheid. Het goede nieuws was dat ik tussen al deze puberale hoog draverij en frustraties van constructieve en geduldige collega’s leerde hoe het ambacht van journalistiek in elkaar stak:

– Wat is een onderwerp?

– Wat speelt er in de samenleving?

– Waarom zouden wij als EO-Radio1 daar iets mee moeten?

– Wat willen we eigenlijk weten van een gast?

– Hoe verleiden we hem naar de studio te komen?

– Hoe maak ik een opzet van vragen die er toe leidt dat hij antwoorden geeft.

– Hoe zorg ik ervoor dat ik alles weet over het onderwerp?

– Is er nog archiefmateriaal dat we kunnen inzetten?

Ik leerde al doende bezig de basisvaardigheden van het journalistieke ambacht. De eerste 9 maanden waren tamelijk stressvol maar ik kon meer en meer van creativiteit en nieuwsgierigheid kwijt. Aan het einde van mijn eerste jaarcontract kwam er een eindredacteur van televisie die zei: “jij bedacht toch dat item over Bert en Ernie – dat vond ik wel origineel, kom bij mij werken”. Ik leerde de les: “geloof nooit een zure collega-journalist, denk zelf – wees nieuwsgierig”.

Ik ging werken voor Knevel op Zaterdag en viel midden in de hype van Pim Fortuyn. Na een goed voorgesprek in Rotterdam wilde hij exclusief bij ons komen. Verblind door de mogelijkheid van een fantastisch kijkcijfer – in plaats van me te realiseren dat het voor hem een fantastische kans was om prime time op de zender te komen – zegde ik toe dat hij de hele uitzending zou krijgen. Een half uur voordat we zouden beginnen werd ik bij mijn eindredacteur geroepen. Waar de vragen bleven. Ik wees ze hem aan waarop hij zei: “dat zijn geen vragen, dat is slagroom”. Dit gesprek moet welhaast als het meest kritiekloze gesprek ooit met Fortuyn de boeken in zijn gaan. We hadden een prachtig kijkcijfer maar ik had een gigantische kater. Ik was meegegaan in de hype en in mijn wens een mooi kijkcijfer te scoren had ik mijn natuurlijk argus verwaarloosd. Les: wees nieuwsgierig, wees kritisch.

Ondanks dit debacle won ik een jaar later de wedstrijd die was uitgeschreven om presentator te worden van radio 1. Terug naar de collega’s van Radio 1 die me nog niet vergeten waren: “binnen drie jaar een prestigieus programma presenteren – is dat niet wat snel? Was jij niet die man van Bert en Ernie”. Die les had ik al geleerd en ik nam me voor om mijn nieuwsgierigheid als uitgangspunt van alle gesprekken te nemen. Dat leverde enkele mooie gesprekken op maar het merendeel van de onderwerpen binnen het radioformat leende zich simpelweg niet voor mijn nieuwsgierigheid. Waar ik dacht mooie interviews te kunnen maken over de diepere drijfveren van mensen moest ik een debat leiden over het hondepoepverbod in Dordrecht. 4 keer een professor interviewen over de kloof tussen burgers en politiek (Effect van de Fortuyn). En 35 gesprekken over BSE (opvolger MKZ). Ik voldeed bij lange na niet aan mijn eigen verwachtingspatroon en een gesprek met Andre Rouvoet luidde na 5 jaar het definitieve einde in van mijn periode als presentator. Wat was er aan de hand? De ChristenUnie had na lang nadenken een standpunt ingenomen over homoseksualiteit. “Het partijbestuur zal een commissie in het leven roepen die gaat onderzoeken of potentiële bestuurders en volksvertegenwoordigers geloofwaardig zijn als vertegenwoordigers van de ChristenUnie”, zo luidde de conclusie. Ik had een aanvalsplan en wil op 1 vraag een helder antwoord krijgen: “heeft, meneer Rouvoet, een praktiserende homoseksueel die geloofwaardigheid?” Een half uur lang zaagde ik hem daar op door. Hij wilde de vraag niet beantwoorden. Hij werd boos. Ik ook. Ik werd nog bozer. Hij ook.

Als ik uw vragen loslaat op dit specifieke gesprek dan zijn dit de antwoorden:

* Kan ik als journalist iemands denkwijze beïnvloeden? – dat was ik stevig aan het doen.

* Hoever mag ik als journalist ethisch gezien gaan? – ik ging ver, misschien te ver.

* Mag ik als journalist mijn mening geven? – ik vond dat het doel de middelen heiligde.

* Ben ik als journalist in staat tot zelfkritiek? – moeilijk hoor – vond mijn streven oprecht.

In plaats van hem te bevragen op motieven, ontwikkelingen in zijn standpunt, zijn dilemma’s en drijfveren, zaagde ik hem door vanuit mijn eigen vooringenomenheid (ik vind de vraag na geloofwaardigheid enkel te rechtvaardigen als die aan alle CU-vertegenwoordigers gesteld zouden worden – desnoods met terugwerkende kracht). Ik liet mijn mening zwaarder wegen dan mijn nieuwsgierigheid. Ik kwam niet verder, de luisteraar ook niet. De belangrijke les die ik leerde was: wees nieuwsgierig, wees kritisch maar stel open vragen!

Ik werd na een half jaar gevraagd eindredacteur te worden van televisie en ik heb sindsdien geprobeerd vanuit deze drie elementen journalistiek te bedrijven. Ik heb geprobeerd Andries Knevel zijn vinger af te leren, Met Van Rossem onderzocht ik of Amerika zich terecht “Gods Own Country” noemt. Knevel & van den Brink probeer ik te maken vanuit eigenheid en nieuwsgierigheid. Moraalridders bedacht ik als format om journalistiek te bedrijven met een mening. Van Rossem for president heb ik gemaakt om er achter te komen hoe je eigenlijk president van Amerika wordt. Adieu God? maak ik samen met Tijs van den Brink om er achter te komen of een BN’er die de kerk verlaten heeft ook God heeft losgelaten. In het bedenken en uitvoeren van deze programma’s probeer ik met lek en gebrek nieuwsgierig en kritisch te zijn en open vragen te stellen. Juist vanwege dit lek en gebrek is mijn motto: geloof nooit een journalist, denk zelf. Soms zal mijn denkduwtje en hetgeen u zelf denkt overeenkomen. Mooi! Als u op basis van wat ik u aanreik tot een andere opvatting komt – ook prima. Denk vooral zelf. Praat niet na.

En daarmee kom ik aan de slotoverweging van deze lezing. Wat ik nog niet benoemd heb maar wat voor mij wel wezenlijk is, is dat ik een journalist ben en christen. Net als u sta ik iedere avond mijn tanden te poetsen en kijk ik mezelf aan in de spiegel met de vraag: was ik vandaag nou een beetje een goede afspiegeling van Christus? Was ik in alles voor de camera maar ook zeker daar achter herkenbaar als christen? Is dat überhaupt een maakbare werkelijkheid of slechts een ambitieuze illusie? Was ik vandaag in mijn onderwerpskeuze voor KvdB echt onderscheidend?; stelden we in Adieu God? open vragen? Was ik kritisch genoeg in mijn keuze van de moraalridder van de week? Heb ik andermans denken verrijkt? Heb ik zuiver gehandeld? Heb ik een opbouwende mening gegeven aan mijn collega’s? Liet ik kritiek toe van een ander? Was ik echt nieuwsgierig, kritisch en stelde ik open vragen?

Om tot een antwoord op bovenstaande vragen te komen probeer ik te kijken naar hoe Jezus mensen benaderde. Ik probeer voor mijn journalistieke handelen – al mijn handelen – Johannes 1:39 als uitgangspunt te nemen. Komt hier op neer: als Jezus tweemaal door Johannes de Doper aangewezen is als Lam van God komen er twee mannen op Jezus afgestapt. Ze willen graag met Jezus meedoen en verwachten dat Hij daar blij mee zal zijn. Jezus laat zich vervolgens echter zowel kennen als nieuwsgierig als kritisch door de volgende open vraag te stellen: “wat zoeken jullie?”. Een vraag die ik als journalist graag voorleg aan mijn gasten. Sterker nog – het is een vraag die ik dagelijks aan mezelf stel: wat zoek ik? Ik gun u mijn vraag van harte: wat zoekt u? Wacht niet tot een ander voor u het antwoord bedenkt – denk zelf!

Tenslotte. Wat ga ik nu doen met die foto van dat christelijke kamerlid op de Wallen? Wat zou ik willen dat iemand met mij zou doen, als hij mij daar had gefotografeerd? Ik hoop dat hij mij onder 4 ogen deze vraag zou stellen: “wat zoek je?”

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s